Een crowdfundcampagne
van Architectuurcentrum
Amsterdam
Roelof Hartplein 2 - het middelpunt van de wereld
Aernout Hagen

Roelof Hartplein 2 - het middelpunt van de wereld

‘Huize Lydia’ werd in Amsterdamse Schoolstijl ontworpen door Jan Boterenbrood en gebouwd in de jaren 1925 – 1927. Het was een opdracht van woningstichting ‘Providentia’. Die stichting wilde tijdelijk onderkomen bieden aan katholieke meisjes die in de stad kwamen werken terwijl zij nog geen dak boven hun hoofd hadden. In 1983 werd het gebouw door het woningbedrijf van de gemeente Amsterdam verbouwd tot complex met 24 zogenoemde ‘HAT eenheden’ (voor alleenstaanden of tweepersoons huishoudens). Eeuwig zonde was dat daarbij het mooie glas-in-lood uit het trappenhuis werd verwijderd en vervangen door een soort open rasters met metalen lamellen, zodat bij eventuele brand de rook kon ontsnappen (dat werd als reden opgegeven).

In datzelfde jaar mocht ik daar komen wonen, in eenheid 2k (de aanduiding van de woningen ging van 2 b tot en met 2y), op de tweede verdieping, boven de algemene ingang naar de woningen en naar het ernaast gelegen buurthuis. Ik was opgegroeid zo’n beetje om de hoek, dus ik kende de buurt al goed. Ik heb met veel plezier daar aan het Roelof Hartplein gewoond tot 1988, toen ik elders in de stad een ruimere woning kon krijgen. De beperkte ruimte van de eenheid was het enige nadeel; anders had ik er misschien nog steeds gewoond.

Vooral het uitzicht vond ik geweldig. Ik keek uit op het meestal gezellig drukke caféterras van 'Wildschut’, waarvan ik nog de groene neonletters op de gevel heb zien aanbrengen. Het heeft me altijd verbaasd dat de horecazaken die daar zaten voordat Wildschut erin kwam helemaal niet liepen, terwijl Wildschut juist vanaf dag 1 een succes was. Als ik vanuit mijn raam naar rechts keek, dan zag ik het ‘Het Nieuwe Huis’ (architect B. van den Nieuwen Amstel, 1928) waarvan de begane grond werd ingenomen door een filiaal van de Openbare Bibliotheek (in hoofdletters op de gevel). Ik was toen al actief voor Amnesty International en mijn groepje mocht jarenlang iedere maand op een zaterdag in de hal van de bibliotheek zitten om handtekeningen te vragen aan bezoekers, zodat we die konden sturen naar regimes die het niet zo nauw namen met de mensenrechten. Die activiteit stopte plotseling, toen wij na een verbouwing van de bibliotheek, van de directie te horen kregen dat wij niet langer ‘in het concept’ pasten.

Natuurlijk zag ik elke dag veel openbaar vervoer langskomen, zoals de (toen nog) gele trams en de rood en grijs gekleurde bussen. Door de scherpe bocht die de trams daar moesten maken, had de rails veel slijtage. Vaak werd er daarom ’s nachts aan de rails gewerkt met een doordringend sissend geluid en grote vonken van de lassers. Ik herinner me ook het toenmalige straatmeubilair, zoals de grote, gele en vierkanten glasbak, maar ook (bij het plantsoentje aan de overkant) een fel groene telefooncel. Optochten en demonstraties namen vaak de route over het Roelof Hartplein en dan zat ik natuurlijk eerste rang. Hangend uit mijn venster, voelde me op zo’n moment op het middelpunt van de wereld, want alles leek toch maar op deze plek te gebeuren! Ik zag optochten van oldtimer auto’s en de spectaculaire, nagebootste intocht van de Canadese bevrijders door de echte veteranen in hun opgepoetste legerauto’s uit de Tweede Wereldoorlog. Maar ik zag ook een compleet oranje gekleurd lint van mensen bij een demonstratie van de Baghwan, en geëngageerde scholieren met spandoeken die demonstreerden tegen de dreigende komst van kruisraketten.

Tussen de bewoners van de eenheden heerste een losse, vriendschappelijke sfeer. Links en rechts van mij woonden buurmeisjes met wie ik het goed kon vinden. Allebei hadden ze een kat waarvoor gezorgd werd door een van ons tijdens afwezigheid van de bazin. We kookten en aten ook regelmatig samen en kwamen vaak bij elkaar over de vloer. Aan het eind van de algemene gang op onze verdieping was een kleine ruimte die we als wasserette voor ons drieën inrichtten. We kochten gezamenlijk een wasmachine, spanden waslijnen over de hele breedte van de ruimte en schilderden de vele buizen die langs de wanden liepen in vrolijke, felle kleuren. Onze deuren naar de algemene gang waren vaak niet op slot, we vonden dat niet zo nodig, vertrouwden alle bewoners. Eén keer kreeg dat bijna nare gevolgen.

Het was omstreeks vijf uur in de middag. Het begon al te schemeren, maar ik had nog geen licht aan. Plotseling ging mijn deur zachtjes open. Ik zag het hoofd van een jonge man met zwarte krullen. Zijn donkere ogen in zijn licht getinte gezicht keken onderzoekend naar binnen. “Wat moet dat?”, vroeg ik meteen. Ik liep naar hem toe, nu zag ik dat hij vrij lang en mager was. Er volgde wat verontschuldigend gemompel over een nummer dat hij zocht. Ik voelde direct dat het niet klopte, maar liet hem weggaan. Toch vertrouwde ik het niet. Ik opende de deur weer, maar hij was verdwenen. Ik liep de gang op en kwam bij de trap een meisje tegen dat ik kende van de derde verdieping. Ik vertelde haar het verhaal en zij werd direct ongerust. “Mijn deur staat ook nog open!”, zei ze. We liepen de trap op en ja hoor, de man was daar bij elke deur aan het proberen of er een open stond. Bij de trap kwamen we tegenover elkaar te staan. Weer kwam hij met vage smoesjes en juist dat irriteerde mij hevig. Door die boosheid voelde ik geen angst. We keken elkaar enige seconden dreigend aan. Toen draaide hij zich om, liep snel de trap af en riep naar mij: “Ik ga wel even een paar vrienden halen, dan komen we je in elkaar slaan!”. Ik boog me over de leuning naar beneden en riep: “Moet je vooral doen!” Pas achteraf voelde ik angst. Wat was er gebeurd als hij een mes had gehad? Sindsdien deden we altijd onze deuren op slot. De inbreker heb ik nooit meer teruggezien.

Deel dit verhaal op Facebook
Lees uw verhaal en die van andere Amsterdammers