Een crowdfundcampagne
van Architectuurcentrum
Amsterdam
Wonen op een intieme zolderverdieping
Ad Feller

Wonen op een intieme zolderverdieping

Op maandag 14 april 1947 draaide onze verhuiswagen de Blancefloorstraat in. Ik was bijna vier jaar en zat beretrots op de bank naast de chauffeur in de cabine van de grote wagen die mij, samen met mijn moeder en mijn oudere zusje, naar ons nieuwe huis zou brengen. Mijn ouders waren een jaar geleden gescheiden en sinds die tijd hadden wij met z’n drieën bij mijn grootouders in Noord gewoond.

Acht jaar eerder, op zaterdagmorgen 7 januari 1939 las Adriaan Versteijne in het Algemeen Handelsblad dat de grondaankoop door de bouwfirma, die hij samen met zijn jongere broer Antoon had, de dag ervoor in de Amsterdamse gemeenteraad op de agenda had gestaan. Enkele partijen, waaronder de confessionelen, hadden er grote moeite mee dat dit bouwproject aan deze twee broers was gegund. Wat was er gebeurd?

Eind 1938 was een bevriend bouwbedrijf bij hen gekomen en had hen een aanbod gedaan om een stuk bouwgrond over te nemen, in de hoek gevormd door de Admiraal de Ruijterweg en de Erasmusgracht. Na ampele overweging zagen de gebroeders Versteijne dit wel zitten en de gevraagde fl. 500,- was geen enkel bezwaar. De grondaanbieders maakten keurig een nota op en zij kregen per omgaande betaald door middel van een bankcheque. Alles leek in orde. Enkele dagen later bij het kadaster werden de bouwpercelen op hun beider namen bijgeschreven. Ook dat leverde geen enkel probleem op. Totdat veertien dagen later een brief van de Gemeentelijke Woningdienst op de mat viel, waarin stond dat de inschrijving niet rechtsgeldig was, want degenen van wie de grond was gekocht, hadden het nooit mogen doorverkopen. In de voorwaarden waaronder zij het gekocht hadden stond dat er met deze grond geen handel gedreven mocht worden. De prijs moest juist laag blijven ten einde de bouw van goedkope arbeiderswoningen mogelijk te maken.

Uiteraard verzochten Adriaan c.s., na het ontvangen van deze brief, de gemeente direct of zij het bouwproject officieel over konden nemen en in het verlengde daarvan de grond in voortdurende erfpacht konden verkrijgen. Na dit verzoek bleef het heel lang stil. Het enige dat zij te horen kregen was dat het wellicht binnenkort in de raad ter sprake zou komen. De partijen in de gemeenteraad waren hoofdzakelijk bang dat door deze doorverkoop van de grond de huren te hoog op zouden gaan lopen. En dat wilde B & W absoluut niet.

Andere partijen, met name de socialisten en de liberalen, betoogden dat de gebroeders Versteijne onschuldig waren, zij hadden te goeder trouw gehandeld en konden niet weten dat zij daarmee in strijd met het oorspronkelijke raadsbesluit hadden gehandeld. Men vond daarom dat zij wel toestemming zouden moeten krijgen, maar dat de huren niet hoger gelegd mochten worden dan wat er in het oorspronkelijke plan had gestaan. Hoewel het begin van het raadsverslag in de krant niet positief had geklonken voelde hij zich, na het lezen van de laatste alinea, toch gelijk een stuk beter. De stemming na afloop van de beraadslaging was namelijk 23 stemmen voor en 17 tegen de toekenning van de grond aan Versteijne c.s. Voor hadden de sociaaldemocraten, de vrijzinnig democraten en de liberalen gestemd, alsmede alle wethouders.

Enkele weken later hadden zij het hele project van alle kanten doorgelicht en besproken met de opdrachtgever, de gemeente, en de architect. De bouw was definitief bepaald op 96 woningen, verdeeld over 24 portieken van elk vier etages, met erboven een zolderverdieping, alsmede 24 bergplaatsjes in de bijbehorende tuinen. De straatnaam waarlangs het woningblok zou komen te staan was ook al door de gemeente voorgeschreven, de Blancefloorstraat.

Enkele maanden later, de funderingen waren reeds gelegd en het was inmiddels voorjaar 1939, lag de bouw opnieuw enige tijd stil. Er was weer discussie in de Gemeenteraad over dit project. Alles werd van voren af aan weer besproken, maar opnieuw was de conclusie dat Versteijne c.s. niets ten laste kon worden gelegd. De partijen die eigenlijk steeds tegen hadden gestemd kwamen eindelijk tot het inzicht, dat nu de fundering eenmaal was gelegd, het te laat was om het project nog stop te zetten. Zelfs de NSB had voorgestemd, vertelde broer Antoon, hetgeen Adriaan, die als Vrijdenker weinig op had met populistische partijen, de opmerking ontlokte, ’wanneer zelfs je vijanden voorstemmen, heb je geen vrienden meer nodig’.

Eind 1939 waren de woningen klaar en zij werden allen zeer snel verhuurd. Iedereen wilde graag in deze nieuwe, mooie huizen wonen. Voorzien van alle comfort, er was zelfs een heuse douchecel. De gebroeders hadden het bouwproject weliswaar in opdracht van de gemeente gebouwd, maar voor eigen risico. Dit betekende dat zij nu ook eigenaar waren en de huur konden gaan innen.

Aangezien de oorlogshandelingen gelukkig aan deze buurt voorbij waren gegaan, in ieder geval op het gebied van kapotte huizen e.d. was er in de straat geen enkele onverhuurde woning. Goede raad was duur, waar kon Adriaan zijn gescheiden dochter met haar kinderen huisvesten? Alle andere woningen die hij in de loop van de jaren dertig her en der in Amsterdam had gebouwd, voor eigen risico of in gezamenlijk verband, had hij al lang van de hand gedaan. Behalve dan deze straat. Broer Antoon kwam met de oplossing, op nr. 1 in de straat, waar Adriaans jongste schoonzusje met haar man op de derde etage woonde, konden zij, uiteraard met medewerking van alle huurders langs deze trap, van de zolderkamers een volwaardige woning voor zijn dochter en haar kinderen maken. Door de ligging aan de kopse kant van het woningblok hadden de bewoners van nummer 1 veel meer zolderruimte tot hun beschikking dan de huizen verderop in de straat.

Op één na gingen alle huurders akkoord. Alleen die van de tweede etage weigerden. Het argument dat zij hierdoor minder huur hoefden te betalen, kon hen niet vermurwen. Zij hielden halsstarrig vast aan het gebruik van hun zolderkamer en dit betekende dat Adriaans dochter en haar kinderen de beschikking kregen over een paar tamelijk ruime zolderkamers, met één kleine enclave. De verbouwing was relatief snel klaar, maar door het uitblijven van de woonvergunning, de ambtenarij had lang werk nodig met het uitgeven daarvan, duurde het alsnog een half jaar voordat wij onze nieuwe woning konden betrekken.

Maar voor mij als jong ventje is deze intieme woning altijd mijn thuis geweest. De jaren ervoor in Amsterdam-Noord kan ik mij alleen zeer vaag herinneren. Hier in de Blancefloorstraat liggen mijn voetstappen. In deze buurt ben ik opgegroeid, naar school gegaan, heb ik gespeeld, gevoetbald, geknokt, met Luilak kattenkwaad uitgehaald en Luilakbollen gegeten, heb ik mijn eerste meisje gezoend, kwam ik twee jaar lang in de weekenden in mijn luchtmacht-tenue thuis, enz. enz. Omdat de huizen nog heel lang in bezit van mijn grootvader Adriaan zijn gebleven, woonden op een gegeven moment vier van zijn vijf kinderen in de straat.Wij - mijn moeder was zijn oudste kind - zoals gezegd op de 4e etage van nummer 1. Eronder woonde nog steeds haar oude tante. Op nummer 2, 3 en 5 woonden de zuster van mijn moeder, haar jongste en haar middelste broer met hun partners en kinderen. De oudste broer van mijn moeder woonde met zijn vrouw en twee jongens twee straten verder in de Heer Halewijnstraat. Een paar jaar later zwermden zij successievelijk allen uit naar andere plekken om te wonen binnen en buiten Amsterdam.

In augustus 1968, Jan Jansen had de dag ervoor de Tour de France gewonnen, gaf ik mijn moeder een zoen en trok ik in mijn oude Kever de wijde wereld in. Ik zou nooit meer in de Blancefloorstraat terugkeren om er te wonen. Een mooie levensfase was afgesloten.

Deel dit verhaal op Facebook
Lees uw verhaal en die van andere Amsterdammers